De minnaar Het is zaterdag, een van de eerste winterdagen in november. Ik zit in mijn auto op weg naar het noorden, naar de streek waar ik geboren ben, helemaal aan de andere kant van het land. Het begint te sneeuwen, de velden zijn bedekt met een witte waas. 'God zij dank, even alleen erop uit. Even los van de zorg van kinderen, proefwerken en maaltijden bedenken. Los van een LAT-relatie die geteisterd wordt door overspannen zijn en vooral met zichzelf bezig is. Nu ben ik aan de beurt. En ik ga een ex-vriendje bezoeken. Tweeentwintig jaar geleden waren wij minnaars. Ook toen had ik een vaste relatie. We hebben elkaar zo nu en dan nog gezien. En altijd was daar weer die aantrekkingskracht: 'Wil je me nog?' Ik heb het thuisfront niet gemeld dat ik dit bezoek ga afleggen, zoals vroeger in mijn 'open huwelijk' Ik ben dit weekeinde bij een vriendin in A. Het landschap om me heen wordt steeds witter. Gedachten spoken door mij, heen. Wat zet ik op het spel? Ga ik met hem naar bed? Stel dat mijn LAT naar mijn vriendin in A. belt? Ik had de telefoonklapper mee moeten nemen. Stel dat er iets met mijn auto gebeurt en ik strand op een plek waar niemand vermoedt dat ik ben? Stel dat... Het verlangen is echter groter dan de angst; Ik wil het avontuur tegemoet. Natuurlijk komt het ervan. Het verlangen is nog steeds hevig aan wezig. Hij nog even hartstochtelijk: 'Wat ben je mooi.' We vrijen en genieten van, elkaar. Opeens in een kleine pauze, PANG. Het schuldgevoel slaat toe. Wat doe ik de ander aan? Het is niet eerlijk ten opzichte van hem. Hoe kom ik hem weer onder ogen? Ik kan niet ver der vrijen. Het verlangen blijft, maar het schuldgevoel is groter. Mijn minnaar heeft begrip, kent de situatie. Ik ga tegen hem aanliggen. We roken een sigaret en strelen elkaar. Na ruim twintig jaar nog altijd even vertrouwd. Zondagochtend na het ontbijt rijd ik weer bij hem vandaan. Het heeft gevroren. Een prachtige laaghangende zon, witte nevel over de uitgestrekte, berijpte landerijen. Wat heb ik vaak heimwee naar deze streek. Langzamerhand, nu wel op weg naar A. ebt het schuldgevoel weg. Ik moet maar eens vaker naar het noorden. Maria van Groeningen