Op deze pagina verzamel ik interessante
tips, voornamelijk met betrekking tot het werken met AutoCAD en over
presentatietechnieken. Deze tips zijn bedoeld voor tamelijk ervaren AutoCAD
gebruikers - het is met andere woorden een verzameling van slimmigheidjes die
ik in de loop der jaren zelf ontdekt heb, of die anderen mij aan de hand hebben
gedaan. Het gaat dus niet om dingen die eenvoudig in de handleiding kunnen worden
opgezocht. Heb je zelf een interessante tip, dan waardeer ik het wanneer je
die e-mailt.
De laatste tip verschijnt altijd bovenaan.
[29-03-2002]
ACAD.PGP tegen RSI, andere bestanden en mogelijke shortcuts:
[op verzoek]
In de support-directory van AutoCAD [bv: C:\Program Files\Acad2000\Support]
bevinden zich een aantal files die met notepad ge-edit kunnen worden, zodat
AutoCAD naar eigen inzicht kan worden aangepast. De belangrijkste file is vermoedelijk
ACAD.PGP, waarin externe commando's en nog belangrijker commando-alias definities
kun worden ingesteld. Hier kan men bijvoorbeeld instellen dat het enkel intypen
van '3' voortaan voldoende is voor het commando 3DFACE of dat men 'C' prefereert
voor COPY inplaats van voor CIRCLE, zoals standaard is ingesteld. Commando's
op deze wijze intoetsen versnelt het tekenen aanmerkelijk en - misschien ook
wel belangrijk - voorkomt RSI omdat men iets minder constant zit te muizen.
Want toolbars zijn vooral erg onhandig, omdat men steeds gedwongen is de mouse-pointer
/ cross-haires te verplaatsen van het tekenobject naar de toolbar en weer terug.
Reken maar dat dat tijd kost.
Soms echter, kunnen ook toolbars van nut zijn, bijvoorbeeld wanneer men er zelf
langere reeksen van commando's in opneemt. Probeer bijvoorbeeld een eenvoudige
knop die het UCS-assenstelsel 90 graden over de X-as draait. Probeer maar uit:
Klik met rechter muisknop op een toolbar, kies customize, kies new of een bestaande
toolbar, kies weer customize, kies in Categories Custum, sleep een nieuwe knop
naar de toolbar, klik deze aan met rechtermuisknop en tik in het Macro-window
vervolgens ^C^C_ucs x 90
Andere aan te passen files in de Support-directory zijn bijvoorbeeld Acad.pat,
waarin de hatch-patronen worden gedefinieerd [met onderbroken lijnen onder verschillende
hoeken] of Acad.lin waarin lijntypen worden gedefinieerd. Acad.mns of Acad.mnu
bevatten de sourve van het menu, die met MENULOAD geladen en gecompileerd tot
Acad.mnc kunnen worden. Acad.lsp bevat lisp-commando's en functies die de gebruiker
automatisch bij het openen van elke tekening kan inladen. [Met APPLOAD >
StartUP Suite, kan men trouwens elke lisp, arx of vlx routine vooral laden.]
Bijvoorbeeld een lisp tekstbestand met een regel als: (defun c:x90 (/) (command
"ucs" "x" 90 ""))
[29-03-2002] Verzamelde
'basis commando-tips': [op verzoek]
Een andere tip die bij sommigen niet bekend
is, is dat men veel commando's tijdens andere commando's kan uitvoeren, door
ze in te typen voorafgaand door een apostroph ('). Zo kan men tijden het commando
PLINE bijvoorbeeld zoomen door tijdens het tekenen 'z in te toetsen en vervolgens
een van de zoom opties te kiezen, hierna keert men dan weer terug in het PLINE
commando.
De meeste instelling in AutoCAD worden gedaan
met behulp van een system variabele. Met commando SETVAR [gevolgd door de opties
? *] kunnen al deze variabelen bekeken worden. In de Helpfile staan deze systemvariabelen
verklaard. [Bij de help van AutoCADr2000 > Help > [Tabblad Contents] >
Command Reference > System Variables.] Zo kan bijvoorbeeld worden ingesteld
dat [wanneer in Windows de middelste mousebutton als middelste mousebutton is
ingesteld....Tja] er met de middelste muisknop over het tekenscherm gePANned
kan worden. Of uit hoeveel vlakjes een REFSURF wordt opgebouwd, Of invisible
edges van 3dfaces getoond worden [SPLFRAME] Of... &c. &c. Om AutoCAD
een beetje te begrijpen verdient het aanbeveling de System Variables lijst eens
goed door te kijken. De meeste 'onverklaarbare' problemen blijken vaak op instellingen
van de systeem variabelen terug te voeren te zijn.
De belangrijkste instellingen zijn opgenomen
in het OPTIONS of CONFIG menu. Hier kunnen bijvoorbeeld de file-path verwijzingen
worden ingesteld, de autosave-tijd, de selectie-volgorde [object sorting method:
alles aanklikken dan pak je automatisch het laatste object bij selectie], &c.
&c. Ook kunnen alle instellingen opgeslagen worden in een eigen user-profile.
Bij het selecteren van objecten kan men met de Ctrl-toets door 'over elkaar
heen liggende' objecten cyclen bij het aanklikken ervan. Druk de Enter toets
in wanneer je het juiste object te pakken hebt.
Tijdens het achteraf selecteren [eerst commando
intikken en dan Select Objects] kan men objecten aan de selectie toevoegen met
de letter 'a' [add], verwijderen met 'r' [remove] grijpen met 'w' [window, geheel
omvatten] of met 'c' [crossing, dus met window doorsnijden] of met 'f' [fence,
selecteren door met soort van polyline te doorsnijden. Men kan objecten selecteren
door ernaast te klikken en een window te trekken. Van links naar rechts, selecteert
men op basis van 'window', en van rechts naar links op basis van 'crossing'.
Bij het stretchen van een object door 'grips' te verplaatsen [de kleine blauwe vierkantjes rond de punten van het object] kan men verschillende grips selecteren door tijdens het aantoetsen de shift-knop in te houden. De geselecteerde grips veranderen in kleine rode vierkantjes. Wanneer men nu een van deze grips verplaatst, verplaatsen de andere geselecteerde punten mee.
En tot slot: Soms wil je niet echt naar een punt snappen, maar slecht voor de x- of y-coordinaat naar dit punt 'verwijzen'. Tik dan voor bijvoorbeeld de x-coordinaat in plaats van een coordinaat .x in [punt x], klik het punt aan en geef vervolgens voor y-en z het relatieve coordinaten @0,0
[1-07-2001] Superhatch
voor bouwkundige details:
Om detailtekeningen snel presenteerbaar te maken werkt het bijzonder goed om
naast een lijnarchering, de verschillende elementen met een image hatch in te
vullen.
Gebruik hiervoor het commando SUPERHATCH onder Draw van het Express-menu.
Plaats de images met DRAWORDER op de achtergrond. Zet eventueel de image randen
uit met IMAGEFRAME > Off.
[15-02-2001] Dun getekende
of gestippelde Hidden Lines op 3D plots:
Bij het printen van ingewikkelde 3D objecten zou je soms de in 3D verborgen
lijnen van een object wel willen laten zien, maar heel dun of gestippeld. Om
dan het hele object maar in 'wireframe' te printen, geeft echter een zeer verwarrend
resultaat, doordat de tekening met de dikke lijnen van 'voorgrond' objecten
al gauw dichtslibt. Wat je kunt doen is het volgende:
Kopieer het object in de Modellayout en verander de layer van de kopie, bijvoorbeeld
in layer "Hidden". Verander
deze layer "Hidden" zodanig, dat kleur [voor lijndikte], linetype,
&c. goed zijn voor het 'semi-transparante' deel van het object. Zorg dat
beide objecten precies over elkaar vallen. Maak vervolgens in een Paperlayout
twee identieke viewports [mview], door er een te kopieren. Zet in paperspace
met MVIEW de HIDEPLOT-optie van de 'onderste' viewport op ON en van de 'bovenste'
op OFF. Ga met MSPACE naar de achterste viewport en klik daar bij de nieuwe
"Hidden" layer op de Active VP Freeze. Ga naar de voorste viewport
en klik de oorspronkelijke objectlayer op Active VP Freeze. Ga weer naar PSPACE.
Leg de layers precies over elkaar. Kies bij het plotten de juiste pentable of
pas de peninstellingen aan. Zet Hide Objects aan en controleer het resultaat
met een preview.
Zie, om een 2dimensionale projectie met verschillende layers voor hidden lines
en visual lines te maken, ook het commando SOLPROF.
[15-02-2001] Gecombineerde
render- en lijntekening:
Zie eerst bovenstaande tip. Wat ook een goed resultaat geeft, is om van
een 3D Object eerst een rendering naar file te maken en deze achter de lijntekening
te plaatsen.
Zie Image achter viewport-lijnen.
[15-02-2001]
Image achter viewport-lijnen:
Om de lijnen in een viewport over de image heen
te laten vallen, mag in de PageSetup de optie 'Plot paperspace last' echter
niet aangevinkt staan. Wil je slechts een deel van de afbeelding tonen, teken
dan een gesloten polyline in de juiste vorm en gebruik de Express tool SuperHatch
om deze met de afbeelding te vullen. [Menu: Express > Draw > Super Hatch...
> Image] Gebruik een polygonale viewport [MVIEW > Polygonal] wanneer je
slechts een deel van de viewport wilt te tonen. De kaderlijn van dit viewport
vallen weg, als je de layer waarin de viewport staat onprintbaar maakt [LAYER-dialoogbox
> Plot afvinken]. De kaderlijnen van een image, ook in een SuperHatch vallen
weg als IMAGEFRAME op Off staat. Verwijder dan ook de hulp-polyline.
[15-07-2001]
Gecombineerde viewport met en zonder hidden lines:
Met de optie Polygonal Viewport onder MVIEW kan
een mooi effect verkregen worden door viewports met dezelfde view in elkaar
te laten grijpen.
Maak een onprintbare layer 'viewports' aan en maak deze current. Maak een eerste rechthoekige viewport in paperspace [PS] aan. Kies hier een geschikte view en sla die op met VIEW. Maak een viewport [1.] om het gebied waarvan de wegvallende lijnen zichtbaar mogen blijven. Zet de view van deze viewport in modelspace [MS]. Maak vervolgens in paperspace een tweede Polygonal viewport om de eerste heen, zoals 2. Omdat de view in een onprintbare layer staat, is het scheidingslijntje niet zichtbaar op de plot. Zet de view wederom op de opgeslagen view. Verwijder de onderliggende oorspronkelijke viewport [Ctrl Cycle on]. Zet nu Hideplot optie van MVIEW van de buitenste viewport op On. Kies in het plotmenu voor de optie Hide Objects.
[15-02-2001]
Plotten naar 'bitmap' afbeelding:
Om een goede bitmap afbeelding van een
AutoCAD lijntekening te maken, kan je het best plotten naar EPS en deze vectortekening
vervolgens openen in Photoshop. Voeg bij CONFIG > Plotting-tab > Add or
Configure plotter > Add a Plotter - Wizard > My Computer > de Adobe
Postscript Level 1 - plotter toe. > Kies bij Add Plotter - Ports voor Plot
to File - optie. Next > Finish. Plot de tekening met de juiste pentable en
het juiste papierformaat naar deze plotter. Open de EPS plotfile nu in Photoshop
en kies in de dialoogbox de juiste resolutie en mode.
[17-11-2001]
Plotten naar 'bitmap' afbeelding, zonder EPS:
Soms wordt de EPS (Postscript Level I
of II) zo groot, dat het photoshop enorm veel tijd en geheugen kost om de file
te rasteren. Een snel alternatief is dan een screengrab van de plot-preview.
Zoom im de plot-preview in tot het juiste detailniveau, grab het schermbeeld
met [Alt + Print Screen]. Ga naar Photoshop. Paste met [Ctrl + V] De screengrab
in een lege afbeelding. Switch naar AutoCAD [Alt + Tab]. Pan in de nog open
staande preview een nieuw stuk. En herhaal de handeling tot alle puzzelstukjes
van de afbeelding in Photoshop aaneengeplakt zijn. Hoe hoger de schermresolutie,
hoe sneller dit gaat uiteraard.
151-08-2001] Prefix
in layernaam:
Voor een goede organisatie van [ingewikkelde 3D-] tekeningen is het handig om
bij elkaar horende objecten in layers met een zelfde prefix op te nemen. Deze
prefix is een begintekstje of -code die aangeeft dat layers met deze prefix
bij elkaar horen. Zo kan de prefix bijvoorbeeld de plaats van bepaald bouwdeel
aangeven. Voor 'materiaallagen' en dergelijke, is het echter handiger om deze
in een 'global' layer op te nemen. Aan te raden is om materiaallagen te maken
met standaard prefix "00_", zoals bijvoorbeeld layers "00_kozijnhout-01",
"00_glas-01" en "00_vensterbanktegel-01" te maken.De autocadobjecten
zoals vlakken en lijnen worden dan in eerste instantie in deze layers gezet.
En vervolgens van het complete raam een block te maken, welke in een aparte
bouwdeel layer, bijvoorbeeld "06_noordgevel-ramen" wordt gezet. Zie
het commando LP [turn to 'layergroup' by prefix] van het AcadBieb-menu onder
AcadBieb-Links.
[01-01-2001] Block
elementen in layer 0:
Het is een goed gebruik om de elementen van weg te schrijven blocks zoveel mogelijk
in Layer 0 te zetten, en voor color en linetype 'Bylayer' aan te houden. Bij
het inserten van deze blocks uit een library, nemen de tekenelementen dan namelijk
automatisch de layer en daarmee de lijnkleur en -type van de current layer van
die tekening aan. Dit voorkomt dat de tekening vol komt te staan met onzinnige
layers, die nogal moeilijk te verwijderen / purge-en zijn.